Wet lokaal spoor

De Wet lokaal spoor legt de basis voor de regelgeving rondom lokaal spoorvervoer, zoals trams en metro’s. Deze wet is essentieel voor de veiligheid, betrouwbaarheid en efficiëntie van het lokaal spoor. Ze definieert de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de diverse betrokkenen, van infrastructuurbeheerders tot exploitanten, en waarborgt dat het vervoer soepel en veilig verloopt.

In de provincie Utrecht is het Trambedrijf en Onderhoud (TBO) aangesteld als beheerder van het lokaal spoor. Hieronder vindt u de belangrijkste bepalingen van de Wet lokaal spoor en de bijbehorende verantwoordelijkheden.

De belangrijkste regels/bepalingen uit de wet:

Veiligheid en onderhoud
Veiligheid staat centraal binnen de Wet lokaal spoor. Exploitanten en beheerders zijn verplicht om te voldoen aan strikte veiligheidsnormen. Ze moeten de benodigde systemen installeren om het veilig rijden van trams en metro’s te garanderen. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor het onderhoud van de spoorinfrastructuur, waaronder sporen, stations en seinen. Deze verantwoordelijkheden kunnen liggen bij gemeenten, provincies of andere bevoegde gezagen

Exploitatie en toezicht 
Exploitanten van lokaal spoor hebben een vergunning nodig voor de exploitatie en zijn verplicht een duidelijke dienstregeling te hanteren en te communiceren naar reizigers. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op de naleving van de wet. 

Reizigers en aansprakelijkheid
Reizigers moeten zich houden aan de aanwijzingen van het personeel en mogen de infrastructuur niet beschadigen. Ook zijn zij verplicht om in het bezit te zijn van een geldig vervoersbewijs. Beheerders en exploitanten dragen de verantwoordelijkheid voor hun activiteiten en kunnen aansprakelijk worden gesteld voor schade of ongevallen.

Vergunningen en goedkeuringen 
Het aanleggen van nieuwe infrastructuur of het wijzigen van bestaande infrastructuur vereist een vergunning van het bevoegde gezag. Daarnaast moeten exploitanten zorgen voor de benodigde milieutechnische goedkeuringen, bijvoorbeeld op het gebied van geluid- en trillingseisen. 

Uniformiteit en samenwerking
De Wet lokaal spoor beoogt uniformiteit binnen Nederland en bevordert samenwerking tussen provincies, gemeenten en vervoersbedrijven om lokaal spoorvervoer efficiënt en effectief te laten functioneren. 

Wat moet u doen?

Als u werkzaamheden wilt uitvoeren in de nabijheid van lokaal spoor, dan is het belangrijk om eerst de juiste vergunningen aan te vragen. Dit kan bijvoorbeeld een omgevingsvergunning zijn op basis van de Omgevingsverordening provincie Utrecht

Er gelden decentrale regels. Deze zijn opgenomen in de omgevingsverordening. In paragraaf 4.3.2. en verder staan de regels over de activiteiten lokale spoorwegen. 

De omgevingsvergunning is bedoeld om de doelmatigheid en veiligheid van en rondom de lokale spoorwegen te waarborgen. Voor meer informatie zie: Veilig werken en vergunningen | Regiotram Utrecht

Daarnaast gelden er rijksregels. In afdeling 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de inhoudelijke regels van het lokale spoor besproken. 

Wat doet de RUD?

De RUD speelt een belangrijke rol bij het aanvragen van vergunningen, bijvoorbeeld wanneer nieuwe voertuigen worden toegelaten op het lokaal spoor. 

Het college van gedupeerde staten van de provincie Utrecht heeft haar bevoegdheid gemandateerd aan de RUD. Wij kunnen hierdoor handhavingsbesluiten nemen. De ILT is door de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Milieu aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de Wet lokaal spoor. Op het moment dat de ILT een overtreding constateert wordt dit aan ons gemeld. Waar nodig handhaven wij op overtredingen. 

Het onderscheid tussen toezicht en handhaving is hierbij belangrijk. Toezicht betekent kijken en controleren en handhaving betekent rechtsgevolgen verbinden aan hetgeen toezicht aan het daglicht heeft gebracht.